
In de sociale sector is de hamvraag niet of je een burn-out krijgt, maar wanneer. Zowel in eigen vriendenkring, waarvan veel mensen in de sociale sector werken, als bij mijn collega’s, loopt het aantal mensen die ooit een burn-out hadden de spuigaten uit. Hoe vaak belde ik niet een hulpverlener van een andere instantie, om te horen dat die "voor langere tijd afwezig" was? Vervangers nemen het over, maar die kennen de dossiers onvoldoende. Het gevolg? Cliënten krijgen ondermaatse hulp, moeten wachten, opnieuw hun verhaal doen bij een wildvreemde, ze zien fouten ontstaan door gebrek aan continuïteit. Dat is niet alleen frustrerend – het is hartverscheurend.
Vandaag kun je simpelweg geen goede hulpverlener meer zijn. Hoe graag je het ook wilt. De dossiers worden alsmaar complexer, de werkdruk stijgt, en de sector wordt uitgehold. Meer casussen, minder tijd. En het wordt alleen maar erger: de besparingen die de nieuwe regering plant in de zorg, terwijl ze miljarden pompt in oorlog, maken de kloof alleen maar groter. De gevolgen van de oorlog in Oekraïne en de genocide in Gaza voelen we nu al in onze sector. Het is uitzichtloos. En dat vreet aan het moreel van hulpverleners.
De sociale sector gaat ten onder – en neemt niet alleen de kwaliteit van zorg mee, maar ook haar eigen mensen.
Op mijn vorige job mochten we tot 38 overuren draaien. Dat is een hele werkweek. Sommige collega’s gingen daar nog overheen, zonder compensatie. Ja, je hebt veel verlof als gevolg daarvan, maar dat maakt het alleen maar wranger: je werkt je kapot, gebruikt je vakantie om bij te komen in plaats van te genieten, en moet voor en na die vakantie dubbel zo hard werken om je afwezigheid op te vangen. Recipe for disaster.
Vroeger was een crisis een uitzondering. Nu is het dagelijkse realiteit. Ik begeleidde ooit drie kinderen die weg moesten uit hun voorziening omdat een begeleider seksueel grensoverschrijdend gedrag had vertoond naar één van hen. Ze werden tijdelijk in een pleeggezin geplaatst – normaal voor twee weken, maximaal twee maanden. Zes maanden later was er nog steeds geen opvang. Het pleeggezin, dat maandenlang over haar grenzen ging, stond op instorten. Uiteindelijk werden de kinderen – 9, 10 en 14 jaar oud – uit elkaar gehaald. De jongste was geboren op de vlucht. Hun hele leven hadden ze samen doorstaan, in erbarmelijke omstandigheden. En ons welvarende land? Kon onvoldoende opvang voorzien, waardoor de kinderen uit elkaar getrokken werden.
Als hulpverlener wil je maar één ding: het beste voor je cliënt. Maar door de chronische onderfinanciering van de zorg, doen we vaak het tegenovergestelde. We breken gezinnen in plaats van ze te helen. Hoe pervers is dat?
Dit is een oproep aan alle hulpverleners: Het is níét jouw schuld. Meer dan je best doen, kun je niet. Alleen kun je de gaten in dit lekke systeem niet dichten – maar samen wel. Kom op straat. Verzet je tegen de besparingen. Want we kunnen ze tegenhouden. We moeten ze tegenhouden. Anders zinkt de sociale sector. En wij mogen niet meegesleurd worden.
En dit is een wake-upcall voor de regering: Laat de sociale sector niet verdrinken. Want als zij zinkt, zinkt onze hele samenleving mee.